Het Moment Suprême met Arnett Cobb (door Rein de Graaff)

Het was in de zomer van 1982 dat ik een telefoontje kreeg van Wim Wigt met de vraag of ik in november een paar dagen met Arnett Cobb kon spelen. Jaques en Johnny op bas en drums, dus dat zat wel goed. Maar Arnett Cobb….?

de foto van Arnett Cobb, beschikbaar gesteld door Rein de Graaff

 

Het enige wat ik van de man wist dat hij bij Lionell Hampton had gespeeld en hoe hij eruitzag, want vanaf mijn zestiende had ik al een foto van hem, afkomstig van een of andere jazzkalender.

Op de foto is hij een forse man (met tenor) in geruit overhemd me bretels en een broek tot vlak aan zijn oksels. En zo hoorden dergelijke tenoren, vond ik, er ook uit te zien.

 

 

 

 

 

 

Maar na een uitgebreid bezoek aan een Amsterdamse vriend die in het gelukkige bezit is van 15.000 elpees en daarom ook wel de ‘maitres des disques’ wordt genoemd, was ik voldoende op de hoogte van de speeltrant en het repertoire va Cobb en zat ik die avond van de dertiende november al vroeg bij In aan de bar, wachtend op de dingen die zouden gaan komen.

Het duurde niet lang of de deur ging open en daar was Arnett Cobb: in veertigerjaren ruitjespak met hoed en in het gezelschap van zoon, manager en een attractieve zangeres, die kennelijk was meegekomen om de feestvreugde nog meer te verhogen.

Na geruime tijd in het café te hebben gezeten kwam Sem ons waarschuwen dat de zaal vol zat  en ‘of we maar wilden beginnen’. Nu, dat begin werd nog geruime tijd uitgesteld want Cobb, op krukken ten gevolge van een ernstig autoongeluk, had nogal wat tijd nodig om naar en op het podium te komen. Maar uiteindelijk was het dan zover….

Al spoedig bleek dat ook hij tot die groep saxofonisten behoort die (zonder repetitie) òf helemaal niet zegt wat hij gaat spelen òf zo maar begint (Sonny Stitt) òf nog net een andere titel noemt en meten begint af te tellen. ‘Georgia Brown, eight bar intro’…was de opdracht meteen na de pauze. ‘A-flat?’ vroeg ik nog en kreeg als antwoord: ’It’s always A-flat, man!’ En daar gingen we weer.

Tot nu toe was het al een vreselijk swingende avond geweest. Cobb speelde geweldig en liet ons boven ons zelf uitstijgen door constante aanmoedigingen in de trant van: ‘I hear you, man!’ of ‘You’re swinging hard, man!’.

De temperatuur in de zaal was inmiddels behoorlijk opgelopen en het was zo vol dat Eddie en Adriaan op het podium waren gekropen en zich tegen de muur achter de pianokruk hadden genesteld. Cobb begon op weergaloze wijze het thema neer te zetten en terwijl het ritme doorliep speelde hij na het thema een break op zo’n manier dat de rillingen over mijn rug liepen en een schreeuw aan mijn keel ontsnapte…

De reactie van Eddie en Adriaan waren navenant want op hetzelfde moment hoorde ik achter me ook een schreeuw. Van vreugde, verrassing of geluk? Wie zal het zeggen. Maar het was de sensatie van de totale eenwording met het publiek en de muziek waar je van houdt en die momenten zijn schaars in een jazzleven. Als ik aan De Spieghel denk, denk ik niet aan al die optredens met Cecil Payne, Eddy ‘Lockjaw’ Davis, Pepper Adams, Frank Foster of hoe ze ook allemaal mogen heten, ook niet aan de toiletten, waarvoor je  voor een bezoek, zoals  Eddie eens schreef ‘Lieslaarzen nodig had’ en ok niet aan de bar  waar ‘paddestoelen groeiden’ maar juist aan dat ene moment…

Gelukkig had Sem het opgenomen. Die opnamen verschenen een paar jaar later door toedoen van Wim Wigt  en Arnett Cobb op de plaat en staan nu ook op een cd. En hoewel ik bijna nooit platen van mezelf draai maak ik af en toe toch graag een uitzondering.

VOOR DE BREAK EN DE SCHREEUW IN ‘SWEET GEORGIA BROWN’.

 

Bovenstaande tekst is – zonder foto’s – eerder verschenen in ‘The saddest place’ van Remco in’t Hof en Rob Zijlstra, tekst met toestemming van Rein de Graaff geplaatst.

De Stichting Jazz in Groningen wordt ondersteund door: